Raf: Wat ik doe, dit beroep, het past zo goed bij mij

“Het moet echt de moeite waard zijn om met twee te zijn, anders ben ik liever alleen.” Privé is cabaretier Raf Walschaerts naar eigen zeggen een ‘mono-man’. Professioneel vormt hij al meer dan 25 jaar een duo met zijn broer Mich. “Een voorstelling van Kommil Foo is net als de sfeer bij een begrafenis, maar wel zo dat iedereen al vijf bier op heeft.”

Een zaterdagochtend in Sleidinge. Na minutenlang aanbellen doet Raf Walschaerts open. Verwaaide haren, kleine oogjes, gekleed in kamerjas. “Sorry mannen, ik heb me verslapen. Het was 4 uur vannacht.” Walschaerts is na een voorstelling de avond voordien, blijven plakken. “Gelukkig heb ik geen kater. Want ik drink niet meer.” Terwijl hij zich verfrist, nemen wij de ruimte in ons op. Jarenlang woonde de oudste van het Kommil Foo-duo in Mariakerke, waar hij samen met onder meer Roland Van Campenhout en Bram Vermeulen een kasteeltje huurde. “Liever het kasteel delen met anderen dan helemaal alleen in een huis”, verklaarde Walschaerts toen. “Het is niet zonder reden dat ik een loft huur. Ik huur al twintig jaar. Sommigen verklaren me gek, maar ik zie vaak mensen die zich dik in de schulden steken om toch maar een huis te kunnen kopen. Dat is pas gek.” Dat was toen. Sinds enkele jaren is Raf Walschaerts eigenaar van een knap gerenoveerde boerderij in Sleidinge.

Dan toch iets gekocht?
Raf Walschaerts: “Heel je leven blijven huren, zou ook een mogelijkheid zijn. Je weet wat je betaalt. Het was niet uit principe dat ik nooit iets gekocht heb. Gewoon uit luiheid. Ik heb tot hier toe niet het stabiele leven geleid om te denken: ik ga mij settelen, een gezin stichten, een huis kopen.”

Jullie zijn met Kommil Foo begonnen zonder geld en zonder plan.
Walschaerts: “Zoals iedereen. Gewoon een groepje beginnen, zoals miljoenen mensen doen. Ik was 21 en mijn broer Mich 17. In 1986 hebben we voor de eerste keer samen een vrij podium gedaan. Ik studeerde toen psychologie in Gent en ben nog net afgestudeerd geraakt. We hebben vijf jaar theater gemaakt in cafés, nadien een eerste keer in een cultureel centrum mogen spelen. En zo is het stilletjes aan begonnen. Eerst in Nederland doorgebroken, dan in België.”

Inderdaad, in ’92 won Kommil Foo de Camarettenprijs, het caberetfestival in Nederland.
Walschaerts: “Klopt. In Nederland had je zo’n heel circuit, nu nog steeds, met wedstrijden. En als je die won, kon je vertrekken.”

En die vijf jaar voordien, waar het wachten was op de doorbraak, leefden jullie toen van de hemelse dauw?
Walschaerts: “Wij zijn onmiddellijk van Kommil Foo beginnen te leven. Ongelooflijk, als ik er nu aan terugdenk. Ik weet nog dat we in die tijd – de jaren ’80 – 3.000 frank vroegen, dat is nu 75 euro. Zelf hadden we twee lampen. We vroegen een vriendin of vriend om de techniek te doen. Mich en ik kregen elk 1.500 frank, en we hadden elke week wel ergens een optreden. Zo leefden we eigenlijk. In ons leven hebben we allebei nooit iets anders gedaan dan dit.”

Was je aan het wachten op de doorbraak, of vond je het goed zoals het liep? Walschaerts: “Nee, we waren ambitieus. We vonden onszelf goed. En we vonden het onrechtvaardig dat de wereld dat niet vond. (lacht) En dat moet ook zo, natuurlijk. Als je er zelf niet in gelooft, kan het nooit iets worden. In die tijd zeiden de mensen ons: ‘Mannen, wat zijn jullie eigenlijk? Zangers? Komieken? Neem een drummer en bassist en begin een groepje.’ De mengvorm die we deden, bestond in België toen niet. Achteraf ben ik heel blij dat we niet meteen in culturele centra begonnen zijn. We hadden echt onze tijd nodig om onze stijl te vinden en iets of wat niveau te halen. We hebben allebei geen opleiding genoten, kunnen geen noten lezen, hebben geen toneelschool gedaan. Wat iemand anders op een toneelschool studeert, hebben we eigenlijk zelf tijdens die vijf jaar moeten leren. Pas later hebben we regie en coaching gekregen. We zijn echt autodidacten. Mochten we Conservatorium gevolgd hebben, deden we niet wat we nu doen. We hebben een beetje een unieke positie in Nederland en België.”  

Ben of was jij dan de drijvende kracht achter Kommil Foo?
Walschaerts: “Ik mag dat zo niet zeggen. Ik ben ook de oudste broer. We zijn verschillende karakters. Hij is meer laid back. Ik ben impulsiever, meer gedreven, iemand die altijd blijft schrijven. Mich kan die knop uitzetten, ik niet. Daar ben ik soms wel jaloers op. Hij heeft een knop, ik niet. Zo’n duo, meer dan 25 jaar, is niet alleen een kwestie van het publiek laten lachen en ontroeren. Er komen ook allerlei factoren bij kijken die je niet in de hand hebt. Factoren die ervoor zorgen dat je er mee stopt. Bij ons klopt die combinatie blijkbaar. We zijn complementair, terwijl we toch heel anders zijn. We zijn één keer enkele uren gesplit, onderweg van Deventer naar huis. Gewoon een menselijke wrijving.”

Jullie zijn zonen van een dancinguitbater.
Walschaerts: “(lacht) Wel, mijn vader is eigenlijk altijd leraar geweest. Een echte Antwerpenaar die naar Essen verhuisd is, een dorp tegen de Nederlandse grens, omdat hij daar les kon geven. Ik was dire jaar toen we verhuisden. Rond zijn vijftig wilde hij tijdelijk iets anders doen – het voordeel van in het onderwijs staan. Hij is zot van koers, daarom wilde hij een hotdogkraam beginnen en op wielerwedstrijden staan. Toen hij een tweedehands camionnette zocht, zag hij een oude boerderij op een goede plek: op het kruispunt van twee wegen. Een paar maanden later ging een dancing open. Hij heeft dat vijf jaar uitgebaat, met succes. Nadien heeft hij de dancing overgelaten en gaf hij weer les.” 

Was je als kind al de vrolijke Frans, de cabaretier in het gezin en op familiefeesten?
Walschaerts: “Vrolijke Frans is een woord dat absoluut niet bij mij past. (lacht) En zeker op het podium niet. Ik ben in het echte leven vrolijker dan op het podium, denk ik. Ook nu met de solovoorstelling ‘Jongen Toch’. Ook al denk ik dat ik een vrolijke voorstelling maak, dan nog druipt ze van de weltschmerz en de melancholie. Daar drijf ik artistiek echt op.”

Maar Kommil Foo brengt humor, dat bedoel ik.
Walschaerts: “Ja, we brengen humor. Maar daar zit altijd iets pijnlijks of triestigs in, hè. In het echte leven ben ik geen grappige gangmaker. Ik was als kind ook niet de cabaretier. Wel speelde ik al van mijn dertien jaar in een groepje. En het feit dat we niet naar Studio Herman Teirlinck of het Conservatorium gegaan zijn, was omdat we van het bestaan gewoon niet af wisten. Dat dit een optie was, daar heb ik nooit aan gedacht. Dat komt misschien ook omdat we in Essen woonden. Terwijl ik wel fel met Nederlandstalige muziek bezig was en al zelf liedjes schreef.”

Een mooie uitspraak van jou: ‘Op de planken kan ik volgens mij veel meer voor iemand betekenen dan als psycholoog’.
Walschaerts: “Daar ben ik van overtuigd. (glimlacht) Mijn plek is op het podium. Je moet een studiekeuze al bepalen op zeventien jaar. Ik had zes jaar Latijn gedaan en weet nog dat ik op het PMS aankwam: ‘Ik wil Filosofie doen’. ‘Je zou beter psychologie doen. Dat is ook filosofisch geladen, maar praktischer naar een beroep toe’. ‘Ok’, antwoordde ik. ‘Dan volg ik psychologie’. Waarom kies je een studierichting? Dat is zo triviaal eigenlijk. Ik had iets met talen of humane wetenschappen kunnen doen.”

Wil je op het podium een boodschap meegeven aan de mensen? Of is het je gewoon te doen om het plezier van het spelen?
Walschaerts: “Waar we mee bezig zijn, is niet alleen plezier. Dat kan ook pijn en worstelingen zijn, een muur waar je tegen botst. Ook spelplezier, ja. Maar een boodschap: nee. Je wilt de mensen zelf laten ontdekken en laten denken. Podiumkunsten zijn een dialoog met het publiek. Je wilt een verhaal vertellen. Maar je denkt niet ‘hoe komt het publiek naar buiten na de voorstelling?’'

Lees het interview verder op www.intervista.be

Raf Walschaerts staat dit seizoen in het theater met de voorstelling Jongen Toch. Bekijk de speellijst hier: hekwerk.nl/agenda/