Raf Walschaerts schrijft column

Deze column schreef Raf Walschaerts voor de website www.demens.nu.
Raf is komend theaterseizoen te zien met Jongen Toch.

Vermetele moed

Een doodvonnis. Zo klonk het onomwonden in een live-interview op de Nederlandse radio. Het lot van rock-poëet Thé Lau lijkt bezegeld: kanker in keel en longen, en uitbehandeld zoals dat dan heet. Veroordeeld zonder verzachtende omstandigheden. Nog een aantal maanden en dan is het over. Zelf blijft hij er uitermate nuchter bij: dringend een paar afscheidsconcerten organiseren. Geen tijd te verliezen! Ik bewonder zijn moed. De vermetele moed om rechtopstaand en schijnbaar zonder met de ogen te knipperen de dood van dichtbij in het gelaat te kijken.

Zelf ben ik bang. Bang dat ik oog in oog met de dood mijn waardigheid zou verliezen, dat ik zou schreien als een klein kind bij het besef dat alles voorbij is. Eigen schuld. Altijd ergens vaag beseft dat alleen een voortdurend bewust zijn van de dood het leven gloed en diepte geeft, maar met dat besef te weinig gedaan. Nauwelijks bewust bij stilgestaan. Te weinig métier opgebouwd. Een beginneling gebleven in de edele kunst van het sterven. Geleefd alsof ik het eeuwige leven bezat. Ik weet niet hoe het met u zit, beste lezer, maar met mij zit het zo: de belangrijkste, meest unieke, absoluut onmisbare persoon in de hele wereld is ondergetekende zelf. De nulmeridiaan loopt door mijn reet (heb ik zelf weinig verdienste aan, is altijd zo geweest).

Daarom kan ik het me in de verste verte niet inbeelden dat ik zou sterven. God allemachtig nee… zonder mij valt de wereld stil. Als ik ophoud houdt alles op. Toch? Ik wéét dat het niet waar is (hersenen), maar geloven doe ik het niet (lijf). Alsnog niet. Ik oefen. Af en toe probeer ik het toe te laten: het besef van sterfelijkheid. Maar het echt laten doordringen? Zelden.
Jammer. Want het vertelt zo veel, de manier waarop je dat ultieme punt achter jezelf zet. De innerlijke rust om dat in volle aanvaarding te kunnen doen, da’s het hoogste, meer mens kan een mens niet worden dan in de aanvaarding van zijn eindigheid. Voor mij is het een voornemen voor de toekomst: dagdagelijks bewust zijn van mijn sterfelijkheid, als ultieme eerbewijs aan het leven. Met dank aan Thé.

Ik zei het al: ik zal bang zijn. Ik zal tegenstribbelen in mijn laatste uur, dat voel ik. Met de moed der wanhoop zullen mijn ogen zich vasthaken aan de vertrouwde stoffelijke wereld: de antieke kast in de slaapkamer, het gebroken zonlicht op de muur, de silhouetten van de dierbaren rond mijn sterfbed. Tot onvermijdelijk die hele buitenwereld langzaam vervaagt, en mijn blik stil naar binnen keert.
En ook dan geef ik de strijd nog niet op, wat had u gedacht! Want nu neemt mijn creativiteit het over, koortsachtig probeer ik de angst te bezweren door een soort veilige, eeuwige haven te verbeelden. Een soort van richting wijs ik mezelf, een weg naar een horizon waarin warempel, o ondoorgrondelijke wegen van de fantasie, een vriendelijk opperwezen woont, badend in een stralend licht. Een zalig zacht wezen dat bijna onhoorbaar fluistert: kom maar zoon, kom in mijn armen… Op die manier danst mijn geest zijn laatste dans in troostende verbeelding. Tot het laatste moment écht daar is, en mijn gelouterde ik elke, maar dan ook elke mantel moet afleggen. Alle denken, voelen, dromen, hopen en verbeelden laat ik achter. Slechts bewustzijn rest mij nog, zuiver bewustzijn. Dan ben ik ook de angst voorbij. Nog een laatste keer achterom kijken: het hiernamaals, het eeuwig leven… verhakkeld in de ruïnes van mijn verbeelding.
Aanwezigheid. Verder niets. Heel even nog. En dan is het goed geweest, voor altijd.