Dolf Jansen ontmoet Alex Ploeg

5 april 2018

Als we het bovenzaaltje van de Tolhuistuin in Amsterdam-Noord binnenlopen, zijn we gelijk terug in de late jaren zeventig: beige en bruine bank, oranje gordijn, schemerlampen. Alex Ploeg, met wie ik ga praten over comedy, keuzestress en heroïne, heeft die hele jaren zeventig niet meegemaakt, hij is van bouwjaar 1985. En dat was weer het jaar dat ik, als atleet, op mijn top zat, omdat ik toen mijn snelste marathon ooit liep. Generatieverschil oké, maar toch hebben we geregeld met elkaar te maken gehad, Spijkers met Koppen, spelen in comedy- club Toomler, een cabarestafette hier en daar en het tv- programma Klikbeet waar ik als fan naar kijk. En we blijken gelijk, omdat Alex vraagt naar mijn opnameappje, beiden te vinden dat je gedachtes en (eventuele) grappen moet op- schrijven, in een blok. Ouderwets. Zoals het in de jaren zeventig ook al ging. Denk ik.

‘Ik zou het ook heel gênant vinden, als je met iemand aan het praten bent, en je dan even je memorecorder bij je mond houdt en zegt: “Oké, dronken baby’s in een steeg”, sorry, wat zei jij?’ 

Mensen denken vaak dat wij comedians, altijd op zoek zijn naar de grap, toch? ‘Volgens mij maak je van je hoofd een filter, een comedy- filter. In het begin, als je net optreedt, ben je wel op zoek naar grappen, maar op een gegeven moment ... Ik merk dat in mijn ontwikkeling, de grappen vinden mij. Uiteindelijk gaat het erom welk punt je wilt maken, of wat wil je van jezelf delen. Je materiaal, als dat alleen maar een stapel grappen is, kan zelfs tussen jou en het publiek in gaan staan. Je wilt contact maken, iets van jezelf laten zien. En dan is comedy een middel. Raoul Heertje, waar ik nu mee spar, zegt ook: oké, je schiet ze allemaal in de kruising, al die grappen, maar nu wil ik meer van jou zien.’ 

Lees het volledige artikel in Scènes Magazine 2 | tekst Dolf Jansen | fotografie Janita Sassen