Column over het Concertgebouw

Triangel

Herinneringen. 1963. Jongetje van negen. Met mijn ouders naar Het Concertgebouw. Op donderdagavond in mijn zondagse pak. Beetje koorts gaf dat wel. Dat grote gebouw, die imposante zaal, dat wat geparfumeerde volk in zijn ronduit aanstellerige avondkleding. Vooral de dames konden er toen wat van. En dan dat orkest. Dat enorme orkest. Hoeveel mensen waren dat wel niet. Ik ging ze tellen. En gaf het halverwege op.

Het werd mijn eerste Beethoven, Paganini, Tsjaikovski, Mozart en ook wel wat moderner werk. Maar daar hield ik niet zo van. Kwam ook door mijn ouders, die dat vals getoeter vonden. En daar sluit je je als kind gemakkelijk bij aan. Later stelde ik dat bij. Deels uit puberaal dwarsliggen en omdat ik sommige dingen echt wel mooi vond. Maar er schalt nog altijd weinig Peter Schat door mijn huis. En ook niet heel veel Otto Ketting.

Mijn vader legde uit wie Herman Krebbers was. De eerste violist. Hij kreeg een hand van meneer Haitink. Vond ik ook wel weer raar. Omdat ik ergens had gelezen dat ze elkaar goed kenden. En ik wist wie een van de blazers was. Dat was namelijk de zoon van onze bloemenman. De broer van Kees met wie ik altijd voetbalde. Vond ik nogal wat. Dat de broer van Kees in zo'n belangrijk orkest speelde.

Ik was negen. Of ik het mooi vond? Vaak niet. Soms wel. Meestal vond ik het ook wel lang. Maar in de pauze kreeg ik een flesje en dat maakte een hoop goed.
Het mooiste vond ik de pauken. Als die klaarstonden was mijn avond geslaagd. Die harde bombastische slagen. Ik kon niet wachten. Hoewel de triangel mij ook behoorlijk fascineerde. Vooral als de meneer, die het ijzeren driehoekje liet klingelen, een kwartier nerveus stond te wachten tot hij aan de beurt was. Nerveus voor dat ene tikkie. Dat tikkie met dat metalen staafje. Later in de auto vertelde mijn vader dat die meneer ook conservatorium had gedaan. Net als de violisten. En de zoon van de bloemenman. Dat stemde mij wel somber.
Dat je zelfs voor zoiets onbenulligs nog een diploma nodig had. Een triangeldiploma.

Daar had ik verder de hele week lol van. Van die meneer. Die van huis ging, zich in een net pak hees, tussen de anderen ging zitten, om dan op een gegeven moment op te staan. Op te staan voor dat ene kleine pingeltje. Moet er nog om lachen!